Stabij

De Stabijhoun wordt in de volksmond Friese Stabij genoemd. Het is een van de elf Nederlandse rassen. De Stabij komt oorspronkelijk uit het gebied rond de Friese Wouden in zuidoost Friesland.  Omdat de Friese Wouden lange tijd een afgelegen gebied vormden, heeft de Stabijhoun alle kans gehad om zich te ontwikkelen zonder veel inmenging van andere rassen.

Aangenomen wordt dat ze afstammen van de Spanjoelen of Spaniels die tijdens de Spaanse bezetting mee noordwaarts waren gekomen. Er zijn veel overeenkomsten met de Drentsche Patrijs en de Kleine Münsterländer die uit omliggende streken komen en naar alle waarschijnlijkheid zijn ze daar ook aan verwant. De Stabij, in Friesland ook wel Bijke, was de hond van de kleine man. Ze werden ingezet voor de jacht, maar ook als waakhond en voor het onschadelijk maken van ongedierte. Denk daarbij aan bunzings, mollen, muizen, ratten en, in de 19e eeuw, zelfs otters. De mollenvellen brachten een aardige bontprijs op en zorgden voor een welkome aanvulling van het vaak karige arbeidersloon. Ook nu is de Stabij nog een gewaardeerde ongedierteverdelger en jachthond. Het is een zeer veelzijdige hond die tegenwoordig vooral als gezelschapshond wordt gehouden.

De officiële benaming van het ras is Stabijhoun. ‘Stabij’ zou een samentrekking zijn van ‘sta-me-bij’, wat precies beschrijft wat ze deden; de baas bijstaan in zijn dagelijkse leven, en het woord ‘houn’ is Fries voor ‘hond’, een sta-me-bij-hond dus. Vaker worden ze Friese Stabij of kortweg Stabij genoemd.

In 1942 is het ras door de Raad van Beheer erkend en ingedeeld bij rasgroep 7, de voorstaande jachthonden.